Promotie over Heidegger en Jünger bereidt nieuw soort denken voor
Voorsprong na techniek
Thomas BlondeauAfgelopen week promoveerden twee filosofen aan wat gekscherend wel eens de ‘Leidse Heideggerschool’ genoemd wordt. Mare sprak
met één van hen. Dr. Vincent Blok over zijn proefschrift dat in een
confrontatie tussen schrijver Ernst Jünger en filosoof Martin Heidegger
een omwenteling van de menselijke bestaanswijze voorbereidt.
De Duitse filosoof Martin Heidegger (1889 – 1976) zag zich vanaf het
allereerste begin van zijn denken, geconfronteerd met de
alomtegenwoordigheid van de techniek. Zijn inzet is geweest om een
antwoord op het wezen ervan te formuleren.
De Duitse schrijver Ernst Jünger (1895 – 1998) formuleerde in zijn boek Der Arbeiter hoe
het mensenslag van de arbeider in een technische wereld nihilisme kan
overwinnen en de ontdekker kan zijn van nieuwe filosofische horizonten.
In zijn proefschrift Rondom de vloedlijn. Filosofie en kunst in het machinale tijdperk, een confrontatie tussen Heidegger en Jünger
dat verleden week verdedigd werd, betoogt dr. Vincent Blok in navolging
van Heidegger dat techniek alomtegenwoordig is en geen uitzondering
toelaat. Ook protest tegen deze heerschappij is doortrokken van
techniciteit. Wil de mens kunnen nadenken over techniek zonder ermee
samen te vallen, dan moet worden gevraagd naar onze methode van
spreken. Hier komt de filosofie van Heidegger en het dichten van Jünger
om de hoek kijken. Hoewel het stellen van vragen in techniek
gemarineerd is, toch een paar vragen aan Blok.
Wat heeft u bewogen tot het schrijven van dit proefschrift?
‘Vroeger begreep ik mijn eigen doen en laten in termen van het anti-imperialisme.
Ik zat in de kraakbeweging en hielp mee met acties tegen de
Zuid-Afrikaanse apartheid. Aan mijn anti-imperialistische houding lag
de ervaring van de principiële “onwaarheid” van het imperialisme ten
grondslag, en het ideaal van een alternatieve bestaanswijze die niet
aan machtsuitoefening gebonden was. Als je op een gegeven moment
bemerkt dat het imperialisme van bedrijven en staten een
politiek-economische vertaling is van de struggle for existence
als aard van het leven, dan is het anti-imperialisme geen reële optie
meer. Ook het anti-imperialistisch verzet is dan doortrokken van de struggle for existence, dus
van imperialisme. De ‘onwaarheid’ van het imperialisme kan dan alleen
nog worden getoetst door de filosofische vraag naar het wezen van de macht. Zo ben ik tot mijn bezinning op het wezen van het imperialisme in het proefschrift gekomen.’
Martin Heidegger
Kun je de vraag van het proefschrift samenvatten in hoe men in het tijdperk van de techniek nog kan denken en dichten?
‘Als je vraagt naar het wezen van de macht, dan is niet duidelijk hoe
je spreekt. Een uitspraak over het wezen van de macht die zelf van
machtswellust doortrokken is, heeft haar onderwerp al in de rug. Ik kan
dit misschien illustreren aan de hand van een voorbeeld.
‘Als ik zeg: “de huidige tijd is van een diepe slaap doortrokken”, dan
heb ik twee mogelijkheden. Ofwel mijn uitspraak behoort tot de
slaperige tijd, waarmee ze het risico loopt zelf slaperig en daarmee
onwaar te zijn. Ofwel mijn uitspraak behoort niet tot de slaperige
tijd, wat de uitspraak daarover ondermijnt. Klaarblijkelijk is de tijd
niet zo slaperig, want deze uitspraak erover staat er buiten.
‘Hier ligt dan ook de grond om aan te sluiten bij het denken van
Heidegger. Hij pretendeert een methode van denken te hebben gevonden
die kan nadenken bij de techniek zonder ermee samen te vallen en zonder
een alternatief of uitweg te zoeken. Het zijn de Leidse filosofen van
Dijk en Oudemans geweest, die dit methodische karakter van het denken
van Heidegger hebben opgenomen en tot zwaartepunt van het hedendaagse
filosofisch nadenken hebben verklaard. Dat wordt dan wel eens
gekscherend de Leidse Heideggerschool genoemd.’
Rondom de vloedlijn is de titel van het proefschrift. Waarom? Vanwege de ambiguïteit die het uitdrukt?
‘Het vervelende van een methodisch denken is dat het ook direct voor
dit interview opgaat. Ik bemerk bij mijzelf de tendens om verhaaltjes
op te hangen. Daar kan de filosofie natuurlijk niet in bestaan. Ik zal
toch iets proberen te zeggen.
‘Uw vraag is welke ambiguïteit het woord ‘vloedlijn’ uitdrukt. Een
antwoord op die vraag stelt die ambiguïteit voor, dat wil zeggen dat ze
present wordt gesteld voor de lezer. Daarmee is de ambiguïteit zelf bij
voorbaat al vernietigd en opgeheven. Wat is dat voor tendens in al onze
vraag- en probleemstellingen, dat ze erop zijn aangelegd de zaken te
verhelderen en beschikbaar te stellen? In die zucht tot presentie – en
dat is wat techniek is - onttrektzich de ambiguïteit, zo zou je kunnen zeggen.
‘Precies die verhouding tussen presentie en onttrekking speelt bij een
vloedlijn. Een vloedlijn markeert niet de hoogste lijn van het water op
het strand. In de vloedlijn onttrekt de vloed zich door achterlating
van een lijn van schelpen en strandresten. Aan de vloedlijn kun je het
afscheid van de vloed bemerken, zonder dat je daarover uitspraken
kunt doen. Vandaar dat je alleen kunt verkeren in de nabijheid, rondom
de vloedlijn. Daarmee is de aard van het methodische denken bij de
techniek aangeduid.’
In uw proefschrift noemt u het werk van Jünger ‘dichten’? Zijn werk bestaat toch niet uit gedichten?
‘Jünger noemt zijn eigen manier van spreken Dichtung in zijn hoofdwerk Der Arbeiter.
Ik benadruk dit omdat in zijn spreken een ambiguïteit schuilgaat.
Heidegger zegt dat Jünger van voor tot achter schatplichtig is aan de
metafysica van de wil tot macht bij Nietzsche.
‘Hoewel hij gelijk heeft in zijn plaatsbepaling van Jünger, ziet hij daarmee de andere zijdevan Der Arbeiter over
het hoofd, namelijk het dichterlijke van de gestalte van de arbeider.
Waarom zou dit dichten niet thuishoren in het voor- en daarmee
presentstellen?
‘Jünger zegt bijvoorbeeld dat de gestalte van de arbeider zoals die in het boek naar voren komt, niet is en ook niet van deze wereld is. Daarmee wordt duidelijk dat Jünger in Der Arbeiter de
gestalte niet voorstelt. Hoe spreekt Jünger dan wel? Op een gegeven
moment zegt Jünger dat “de heerschappij van de gestalte in wezen al is
gerealiseerd maar nog uit haar anonimiteit te voorschijn moet worden
gehaald”.
‘Daarmee wordt duidelijk waar het in Der Arbeiter om draait, namelijk het dichten als naamgeving. Dat is een mogelijke weg van de kunst in ons technisch tijdperk.’
U zegt dat het dichten en denken van Jünger en Heidegger in het teken van een overgang van
de menselijke bestaanswijze bestaat. Waarin bestaat die overgang? En
zag Heidegger die niet op een gegeven moment in het
nationaal-socialisme?
‘Heidegger zegt dat wij de vanzelfsprekende bepaling van de mens als
het denkende subject moeten verlaten, willen wij oog krijgen voor ‘onze
verhouding tot het wedervarende’, de betrekking die altijd al bij
voorbaat onze omgang met de dingen structureert. Voor het subject is
elke bepaling subjectief of objectief, terwijl hij geen oog heeft voor
de subject-objectverhouding die zijn bestaanswijze bij voorbaat altijd
al heeft getekend.
‘Deze omwenteling van de menselijke bestaanswijze is niet zondermeer
door te voeren. Ze is niet een beslissing van de mens als het denkende
subject, maar vergt volgens Heidegger een ‘Anspruch’ (=appel, TB) die door het denken alleen kan worden voorbereid.’
In de jaren dertig dacht hij dat het moment van de omwenteling
aangebroken was. Nadat hij rond 1938 inzag dat de
nationaal-socialistische revolutie van Hitler niets te maken had met de
door hemzelf beoogde omwenteling, verschoof hij haar naar een übernächste Generation. In dat opzicht is ook mijn eigen denken in het proefschrift voorbereidend van aard.’
Gaat u ervan uit dat in deze ‘tijd van onbehagen’ een absoluut
nihilisme heerst? Probeert u op deze toestand een antwoord te
formuleren?
‘U wijst met deze zinsnede op de titel van het boek van Ad Verbrugge.
Wat hij cultuurverlies noemt en de heerschappij van het consumentisme,
wijst op de ervaring van het nihilisme als onze ‘Normalzustand’. Ik
deel zijn intuïtie van de ‘onwaarheid’ van de mens als consument van
harte. Voor mij is
evenwel de vraag waar in de wereld je bevestiging voor deze intuïtie
kunt vinden. Ik ervaar geen tijd van onbehagen, want het nihilisme
reikt zo ver dat het de cultuurkritiek evoceert en ook de oplossing
voor elk onbehagen aanreikt. Voor mij speelt hier primair het
methodische vraagstuk hoe ik kan nadenken bij het nihilisme.
‘Ik mag dat misschien illustreren aan de hand van het boek van
Verbrugge. Hij wijst op onze wereld van de consumentistische
behoeftebevrediging en zegt tezelfdertijd dat ‘in de mens de behoefte leeft
aan een ‘zin’ die groter is dan hijzelf. Mijn vraag is dan of deze
behoefte aan zin nu weer onderdeel uitmaakt van de behoeftebevrediging?
‘Is die gemeenschapszin als gedeelde dimensie er, of is het een
bevredigde consumentistische behoefte? Volgens mij zou het verschil
tussen zijn authentieke vraagstelling en de consumentistische
behoeftebevrediging daarin moeten bestaan, dat hij uitziet naar een zin die als zodanig verre is, om zo de nabijheid ervan te ontberen. ‘Dit
ontberen kent de consumentistische behoeftebevrediging niet. Die blijft
nimmer onbevredigd achter en slokt alles op in een alomtegenwoordige
beschikbaarheid.
Ik hoop dat hiermee duidelijk wordt waar voor mij het zwaartepunt ligt.
Het is jammer dat die titel op de achterflap van mijn boek is gekomen,
want ik wil mijn eigen denken helemaal niet in oppositie met Verbrugge
gedefinieerd zien.’
Dit boek is een must voor kunstenaars, filosofen en anderen die
vragen wat de mens vermag in ons machinale tijdperk.’ Dat staat te
lezen in de perstekst die uw promotie begeleidt. Waarom is het boek een
must?
‘Ik verwees net naar het nihilisme als onze ‘Normalzustand’. Ik geloof
niet dat de vraag daarnaar minder speelt in de kunsten dan in de
filosofie. Mijn boek onderscheidt zich doordat het geen alternatieven
zoekt maar een nuchtere confrontatie zoekt met de techniek. Het laat
zien wat filosofie en kunst vermag in ons technisch tijdperk en schetst
daartoe een weg van het denken en een weg van de kunst en confronteert
die met elkaar.’
In uw nawoord schrijft u dat de Amerikaanse bombardementen op Irak en de Al-Qaida aanslagen secundair
zijn ten opzichte van de vraag naar het filosofische principiële, de
semantische grond ervan. Is het niet schizofreen om dat te moeten
zeggen, terwijl u tegelijkertijd in uzelf de neiging bespeurt om zich
af te vragen of dergelijke aanslagen niet het teken zijn van ‘een breuk
tussen de Westerse beschaving en een nieuw barbarendom’?
‘Een schizofrenie duidt op een gespletenheid, waarbij de remedie
gevonden wordt in de opheffing ervan. Daardoor ontstaat eenheid en
helderheid. In de filosofie gaat het erom empirisch te blijven, dat wil
zeggen dat ik bij die gespletenheid zelf blijf zonder hem op te willen
heffen. Nu is de vraag of ik niet evengoed de gespletenheid ophef door
de aanslagen van Al-Qaida tot een secundair verschijnsel te reduceren.
Voor mij is volstrekt duidelijk dat de heftigheid van de aanslagen van
11 september slechts aangeven hoezeer de islamitische samenleving wordt
bedreigd – uiteindelijk wil ook elke Afghaan een televisie en een
koelkast. Maar afgezien van dit voorbeeld heeft u wel een punt. Het is
de vraag of het filosofisch principiële noodzakelijkerwijze de reductie
van de ‘zijnden’ tot secundaire verschijnselen impliceert. Ik herinner
mij dat Heidegger ergens spreekt van een aanval op het wezen van
de mens door de middelen van de techniek, dat wil zeggen technische
instrumenten. Daar zouden we ons verder op moeten bezinnen.’
Van dit stuk verscheen een kortere versie in de papieren versie van Mare 29.
Vincent Blok
Rondom de vloedlijn, Uitgeverij Aspekt. € 22,95
Te bestellen via www.vincentblok.nl
Promotie was 20 april